122456.fb2
De wind kwam aansuizen over de baai als een levend wezen. Hij geselde het wateroppervlak zo hevig dat het moeilijk te zien was waar de vloeistof eindigde en de lucht begon; de wind trachtte golven te verwekken die de Bree zouden overspoelen, maar blies ze uiteen tot een schimmige sproeiregen voor ze een hoogte van enkele decimeters hadden bereikt.
Alleen dit fijne natte stof bereikte Barlennan die zich hoog op het achterdek van de Bree vastklemde. Zijn schip was al lang tevoren veilig op het droge getrokken. Dat was gebeurd zodra hij zeker wist dat hij hier de winter zou blijven; desondanks voelde hij zich toch niet helemaal op zijn gemak. De golven waren vele malen hoger dan hij ze ooit op zee had gezien en op de een of andere manier stelde het hem niet helemaal gerust dat het gebrek aan gewicht, dat het mogelijk maakte dat ze zo hoog optorenden, ze tevens zou beletten veel kwaad te doen als ze werkelijk het strand oprolden tot waar de Bree lag.
Barlennan was niet bijzonder bijgelovig, maar zo dicht bij de Rand van de Wereld kon er echt van alles gebeuren. Zelfs zijn bemanning, een groep zonder veel fantasie, toonde soms gevoelens van onbehagen. Er hing hier ongeluk in de lucht, bromden zij; wat zich aan de andere kant van de Rand bevond en de vreselijke winterstormen over duizenden kilometers de wereld injoeg, zou het ze erg kwalijk kunnen nemen als het werd gestoord. Bij elk ongeval brak het gemopper weer los, en er waren veel ongevallen. Het feit dat iedereen een misstap kan doen wanneer hij maar één kilo weegt in plaats van de tweehonderdvijftig of zo waaraan hij zijn hele leven gewend is, leek voor de kapitein vanzelfsprekend; maar schijnbaar was er een opvoeding of tenminste de gewoonte om logisch te denken voor nodig om dat in te zien.
Zelfs Dondragmer, die beter had moeten weten… Barlennans lange lichaam spande zich en hij bralde bijna een bevel voor hij zich nog geheel bewust was van wat er twee vlotten verder gebeurde. De stuurman had blijkbaar dit ogenblik uitgekozen om de stagen van een van de masten te controleren en hij maakte gebruik van het feit dat hij bijna gewichtloos was om zich in zijn volle lengte boven het dek op te richten. Het was een fantastisch gezicht hem daar zo hoog opgericht te zien, onzeker op zijn achterste zes benen balancerend, ofschoon het grootste deel van de bemanning tamelijk gewend was geraakt aan dergelijke kunsten. Maar dat was niet wat indruk maakte op Barlennan. Als je één kilo weegt moet je je stevig vasthouden of je wordt door de eerste de beste bries van boord geblazen, en met zes loopbenen kan niemand zich ergens aan vasthouden. Met deze storm…
Maar bevelen waren al niet meer verstaanbaar, zelfs als de kapitein zo luid schreeuwde als hij kon. Hij was net begonnen over de open ruimte te kruipen die hen van elkaar scheidde toen hij zag dat de stuurman zijn harnas met een stel touwen had bevestigd aan het dek, zodat hij bijna even stevig vastgebonden was als de mast waaraan hij werkte.
Barlennan was gerustgesteld. Hij wist waarom Don het had gedaan: het was een uitdaging aan wat deze storm voortjoeg, en hij stelde de bemanning zijn houding ten voorbeeld. Flinke kerel, dacht Barlennan. Hij richtte zijn aandacht opnieuw op de baai.
Niemand zou precies hebben kunnen zeggen waar thans de scheiding lag tussen vloeistof en land. Een verblindende warreling van witte sproeiregen en bijna wit zand verborg alles wat meer dan honderd meter van de Bree verwijderd was, en nu werd zelfs het schip moeilijk te zien, omdat krachtig voortgedreven druppels methaan als kogeltjes door de lucht vlogen en over zijn oogleden uitvloeiden. Het dek onder zijn vele voeten was tenminste nog rotsvast; hoe licht het schip nu ook was, het maakte geen aanstalten om weg te waaien. En dat kon het ook niet, dacht de kapitein grimmig, denkend aan de vele kabels die verbonden waren met diep verzonken ankers en met de lage bomen die hier en daar op het strand groeiden. Het kon niet, maar het zou niet het eerste schip zijn dat verdween omdat het zich te dicht bij de Rand waagde. Misschien was er een goede reden dat zijn bemanning de Vlieger wantrouwde. Tenslotte had dat vreemde wezen hem overgehaald om de winter over te blijven, zonder enige bescherming voor schip of bemanning te beloven. Maar als de Vlieger ze wilde vernietigen kon hij dat veel eenvoudiger doen. Als het grote gevaarte waarin hij zich verplaatste boven de Bree zou komen, zelfs hier waar gewicht zo weinig betekende, was alles afgelopen. Barlennan dwong zijn gedachten in een andere richting; hij was ten volle behept met de traditionele vrees van de Mesklinieten om zich zelfs maar tijdelijk onder iets zwaars te begeven.
De bemanning had al lang tevoren beschutting gezocht onder de dektenten en zelfs de stuurman hield op met werken toen de storm verhevigde. Ze waren er allemaal; Barlennan had de bulten onder het beschermende doek geteld toen hij het schip nog in zijn geheel kon zien. Er waren geen jagers op pad, want geen van de zeelieden had de waarschuwing van de Vlieger dat er een storm op komst was nodig gehad. De laatste tien dagen was niemand meer dan tien kilometer van het schip vandaan gegaan, en met het verminderde gewicht van hier was tien kilometer zo afgelegd.
Ze hadden natuurlijk genoeg voorraden; Barlennan was geen dwaas en hij had zijn best gedaan er ook geen aan te nemen. Maar toch, vers voedsel was prettig. Hij was benieuwd hoe lang deze storm ze opgesloten zou houden; dat vertelden de voortekenen niet, hoe betrouwbaar ze ook de komst van de storm hadden aangekondigd. Misschien wist de Vlieger het. In elk geval hoefde er aan het schip verder niets te worden gedaan; hij kon net zo goed eens gaan praten met het vreemde wezen. Er bekroop Barlennan nog telkens een gevoel van ongeloof als hij naar het toestel keek dat de Vlieger hem had gegeven, en hij moest zich er steeds weer van overtuigen dat net werkte.
Het lag onder zijn beschermende tentje naast hem op het achterdek. Het was een schijnbaar massief blok, acht centimeter lang en ongeveer half zo breed en hoog. Een doorschijnende plek in een van de gladde uiteinden zag eruit als een oog en scheen ook zo te werken. Het enige andere kenmerk was een rond gaatje in een van de lange zijden. Deze kant lag boven terwijl het einde met het oog iets onder de tent uitstak. De opening van deze tent was natuurlijk aan de lijzijde, zodat het doek strak tegen de platte bovenzijde van het apparaat drukte.
Barlennan stak een arm onder de tent, voelde rond tot hij het gat vond en stak er zijn schaar in. Er was daarbinnen niets dat bewoog, zoals een schakelaar of een knop, maar dat deerde hem niet: hij kende dergelijke dingen evenmin als temperatuur-, licht-, of capaciteitgevoelige relais. Uit ervaring wist hij dat het voldoende was om iets ondoorzichtigs in dit gat te steken om de Vlieger op te roepen, en hij wist ook dat het niet de minste zin had om uit te vorsen hoe dat in zijn werk ging. Soms bedacht hij zich een beetje treurig dat het net zoiets was als een kind van tien dagen onderwijzen in navigatie. De intelligentie was er waarschijnlijk wel — in ieder geval was het een troost om dit te denken — maar de jaren van ervaring ontbraken.
“Ja, Charles Lackland hier,” zei de machine ineens, zijn gedachtengang onderbrekend. “Ben jij dat, Barl?”
“Dit is Barlennan, Charles.” De kapitein sprak in de taal van de Vlieger, die hij geleidelijk aan begon te beheersen. “Plezierig je stem te horen. Hadden we gelijk met dit briesje?
“Hij kwam op de tijd die je voorspelde. Een ogenblik — ja, er is sneeuw bij. Dat had ik nog niet opgemerkt, maar ik zie nog “geen stof.”
“Dat komt nog. Die vulkaan heeft minstens veertig kubieke kilometer stof de lucht ingeslingerd en het is zich al dagen aan het verspreiden.”
Barlennan gaf hier niet direct antwoord op. De vulkaan in kwestie was nog steeds een twistpunt, daar hij zogenaamd lag, in een deel van Mesklin dat volgens Barlennans kennis van de aardrijkskunde niet bestond.
“Waar ik zo benieuwd naar ben, Charles, is hoe lang deze storm zal duren. Ik heb begrepen dat jouw mensen hem van boven kunnen’ zien en dus weten hoe groot hij is.”
“Hebben jullie al moeilijkheden? De winter begint net en het zal nog duizenden dagen duren voordat jullie hiervandaan kunnen.”
“Dat begrijp ik. We hebben voedsel genoeg, wat de hoeveelheid betreft. Maar we zouden nu en dan best eens iets vers willen hebben, en het zou prettig zijn als we van tevoren wisten wanneer we een paar jachtgroepen kunnen uitsturen.”
“O, bedoel je dat. Ik ben bang dat de timing erg precies zal moeten zijn. De vorige winter was ik hier niet, maar ik heb gehoord dat het dan bijna continu stormt. Ben jij ooit eerder aan de equator geweest?”
“Aan de wat?”
“Aan de — ik geloof dat jullie het de Rand noemen.”
“Nee, ik ben er nooit eerder zo dichtbij geweest en ik begrijp ook niet hoe iemand er nog dichterbij zou kunnen komen. Het lijkt me dat als we nog verder de zee opvaren we ons laatste pondje gewicht ook nog verliezen en het heelal indrijven.”
“Als het je op je gemak stelt kan ik je zeggen dat je het mis hebt. Als je verder zou gaan zou je gewicht weer toenemen. Je bent nu op de equator, op de plaats waar het gewicht het kleinst is. Daarom ben ik ook hier. Ik begin te begrijpen waarom je niet wilt geloven dat er veel verder naar het noorden ook nog land is. Ik dacht dat het taalmoeilijkheden waren, toen we er eerder over spraken. Misschien heb je nu tijd om me jullie denkbeelden uit te leggen over de aard van de wereld. Of heb je misschien kaarten?”
“We hebben natuurlijk een Kom hier op het vlot op het achterdek. Je kunt hem nu niet zien, omdat de zon net onder is en Esstes niet voldoende licht geeft met die wolken. Als de zon op is zal ik je hem tonen. Mijn platte kaarten zouden niet veel helpen, omdat geen ervan voldoende terrein beslaat om een echt goed beeld te geven.”
“Goed. Terwijl we wachten tot de zon opkomt kun je misschien vast mondeling jullie opvattingen vertellen.”
“Ik weet niet of ik je taal al goed genoeg ken, maar ik zal het proberen. Ik heb op school geleerd dat Mesklin een grote holle kom is. Het deel waar de meeste mensen wonen is in de buurt van de bodem, waar het gewicht fatsoenlijk is. De filosofen geloven dat het gewicht veroorzaakt wordt door de aantrekking van een grote vlakke plaat, waar Mesklin op rust; hoe verder we ons naar de Rand begeven, des te minder wegen we, omdat we dan verder van de plaat verwijderd zijn. Waar de plaat op ligt weet niemand; je hoort hier een heleboel vreemde ideeën over van sommige van de minder beschaafde rassen.”
“Ik zou denken, als jullie filosofen gelijk hadden, dat je omhoog zou gaan telkens wanneer je je van het centrum af beweegt. En alle oceanen zouden naar het laagste punt stromen,” opperde Lackland. “Heb je dit ooit aan een filosoof gevraagd?”
“Toen ik een jongen was heb ik er eens een afbeelding van gezien. Het diagram van de leraar vertoonde een groot aantal lijnen, die van de plaat omhoogkwamen, dan ombogen en boven Mesklin samenkwamen. Door de kom kwamen ze recht omhoog in plaats van schuin, tengevolge van de kromming, en de leraar zei dat het gewicht langs de lijnen verliep in plaats van recht naar beneden naar de plaat,” antwoordde de gezagvoerder. “Ik heb het niet helemaal begrepen, maar het scheen te kloppen. Zij zeiden dat de theorie bewezen was omdat de gemeten afstanden op de kaarten overeenkwamen met de waarden die ze volgens de theorie moesten hebben. Dat kan ik wel begrijpen en het lijkt me een goed argument. Als de vorm niet was zoals ze dachten, zouden de afstanden al gauw niet meer kloppen.”
“Heel juist. Ik merk wel dat jullie filosofen heel goed zijn in meetkunde. Wat ik niet begrijp is waarom ze niet tot het inzicht zijn gekomen dat er twee vormen zijn waarbij de afstanden kloppen. Tenslotte: begrijp je niet dat het oppervlak van Mesklin naar beneden kromt? Wanneer jouw theorie juist zou zijn zou de horizon boven je staan. Hoe verklaar je dit?”
“O, maar dat is ook zo. Daardoor weten ook de meest primitieve stammen dat de wereld komvormig is. Alleen hier, bij de Rand, ziet het er anders uit. Ik denk dat het iets te maken heeft met het licht. Tenslotte gaat de zon hier zelfs in de zomer op en onder en het zou niet verwonderlijk zijn als de dingen er dan wat vreemd uitzagen. Het lijkt er zelfs op dat de — horizon, zei je? — in het noorden en zuiden dichterbij is dan in het oosten en westen. Je kunt een schip uit het oosten en westen al van veel verder weg zien. Het komt door het licht.”
“Hm. Ik vind het op dit ogenblik een beetje moeilijk om over je redenering te debatteren.” Barlennan was niet voldoende bekend met de manier van spreken van de Vlieger om de zweem van amusement in zijn stem te horen. “Ik ben nooit ver van de — eh — Rand geweest, en kan dat ook niet. Ik heb nooit beseft dat het er zo uitzag als je nu beschrijft, en ik begrijp op het ogenblik ook niet waarom dat zo is. Ik hoop het te zien wanneer je op reis gaat met die beeldradio.”
“Het zal me een genoegen zijn te horen waarom onze filosofen zich vergissen,” antwoordde Barlennan beleefd. “Als je het wilt vertellen, natuurlijk. Intussen ben ik nog altijd benieuwd of je me kunt zeggen wanneer de storm ophoudt.”
“Het duurt een paar minuten voor ik een rapport krijg van het station op Toorey. Wat zeg je ervan als ik je tegen zonsopgang oproep. Dan kan ik je de weersvoorspelling geven en is het licht genoeg om me je Kom te laten zien. In orde?”
“Dat is prachtig. Ik zal wachten.” Barlennan bleef ineengedoken naast de radio liggen, terwijl de storm om hem heen raasde. De korrels methaan die tegen zijn rug kletterden deerden hem niet Op hogere breedten kwamen ze voel harder aan. Nu en dan bewoog hij zich om de fijne opeenhoping van ammoniak weg te vegen die zich steeds weer op et vlot verzamelde, maar zelfs dit was weinig hinderlijk, tenminste voorlopig. Tegen het midden van de winter, over vijf- of zesduizend dagen, zou het spul in de volle zon gaan smelten en vrij kort daarna weer bevriezen. Het was wenselijk om de ammoniak van het schip af te krijgen, of omgekeerd, voor de tweede vriesperiode aanbrak, anders zou Barlennans bemanning de paar honderd vlotten van het strand moeten losbikken. De Bree was geen rivierboot maar een volwaardig zeeschip.
De Vlieger had niet meer dan de beloofde paar minuten nodig om de gewenste informatie te verkrijgen, en toen de wolken boven de baai oplichtten door de opgaande zon klonk zijn stem opnieuw uit de kleine luidspreker. “Ik vrees dat ik gelijk had, Barl. Er is geen verlichting van de storm in zicht. Op bijna het hele noordelijk halfrond — dat zegt je niets — is de ijskap aan het smelten. Ik heb begrepen dat de stormen doorgaans de hele winter voortduren. Dat ze in de hogere zuidelijke breedten met tussenpozen komen komt doordat ze verder van de equator gesplitst worden in kleinere kernen, door de buigende werking van de Corioliskrachten.”
“Waardoor?”
“Door dezelfde kracht waardoor een projectiel dat je gooit naar links afwijkt — althans, ik heb het hier nooit zien gebeuren, maar het kan op deze planeet nauwelijks anders.”
“Wat is gooien?”
“Hé, dat woord hebben we nooit gebruikt, hè? Wel, ik heb je zien springen toen je me in mijn schuilplaats kwam opzoeken. Of nee, dat heb ik je niet zien doen! Wel — gooien is een voorwerp oprapen, en het hard van je afduwen zodat het zich over een zekere afstand voortbeweegt, voordat het de grond weer raakt.”
“Wij doen dergelijke dingen niet in beschaafde landen. Er zijn veel dingen die we hier kunnen doen maar die daar onmogelijk of heel gevaarlijk zijn. Als ik thuis iets zou “gooien’, zou het best op iemand neer kunnen komen — waarschijnlijk op mijzelf.”
“Ja, dat zou helemaal niet zo mooi zijn, Drie g’s hier aan de equator zijn al erg genoeg; jullie hebben aan de polen bijna zevenhonderd. Maar toch, als je iets zou kunnen vinden dat zo klein is dat je spieren het kunnen gooien, waarom zou je het dan niet weer kunnen opvangen, of tenminste de schok weerstaan?”
“Ik kan me de situatie niet precies voorstellen, maar ik geloof dat ik het antwoord weet. Er is geen tijd voor. Als je iets loslaat — of je het nu gooit of niet — raakt het de grond voordat je er iets tegen kunt doen. Oprapen en dragen is mogelijk; gooien en — springen? — is heel iets anders.”
“Ik geloof dat ik het nu begrijp. Wij namen als vanzelfsprekend aan dat jullie een reactietijd zouden hebben die past bij jullie zwaartekracht, maar ik zie nu dat dit geredeneerd is vanuit het standpunt van de mens.”
“Wat ik van je gesprek heb begrepen klonk redelijk. Het staat vast dat wij anders zijn; we zullen waarschijnlijk nooit helemaal weten hoe anders. Maar we zijn tenminste voldoende gelijk om met elkaar te kunnen praten en een hopelijk wederzijds voordelige overeenkomst aan te gaan.”
“Dat zal wel lukken. Tussen haakjes, om dat te bereiken zul je me een idee moeten geven van de plaatsen die je wilt aandoen, en ik moet op je kaarten de plek aangeven waarheen ik wil dat je gaat. Kunnen we nu naar die Kom van je kijken? Er is nu licht genoeg voor dit kijktoestel.”
“Jazeker. De Kom is in het dek ingelaten en kan niet worden verplaatst; ik zal deze machine moeten verplaatsen. Wacht even.”
Barlennan kroop over het vlot naar een plek die door een kleinere tent was afgedekt, zich onder het voortgaan vasthoudend aan klemmen op het dek. Hij trok het tentje weg en borg het op, toen kwam hij terug, bevestigde vier touwen om de radio, maakte ze vast aan strategisch geplaatste klemmen, verwijderde de tent over de radio en begon het apparaat over het dek te schuiven. Het woog belangrijk meer dan hij ofschoon de afmetingen veel kleiner waren, maar hij wilde niet het risico lopen dat het zou wegwaaien. De storm was in het geheel niet afgenomen en het dek schokte af en toe zelfs. Toen het oogeinde van het toestel bijna bij de Kom was liet hij het andere einde op een paar balken rusten, zodat de Vlieger naar beneden kon kijken. Toen kroop hij zelf naar de andere kant van de Kom en begon zijn uiteenzetting.
Lackland moest toegeven dat de kaart die de Kom bevatte logisch vervaardigd en tot op zekere hoogte nauwkeurig was. De kromming ervan kwam zeer goed overeen met die van de planeet, zoals hij had verwacht — maar de grote fout was dat hij concaaf was. De Kom was ongeveer vijftien centimeter in doorsnede en in het midden drie centimeter diep. De kaart was afgeschermd met een doorschijnend deksel — waarschijnlijk van ijs, dacht Lackland — op gelijke hoogte met het dek. Dit maakte het wat moeilijk voor Barlennan om details aan te duiden, maar het deksel kon niet worden verwijderd zonder dat de Kom in een mum van tijd vol ammoniaksneeuw stoof. Het spul hoopte zich overal op waar het bescherming vond tegen de wind. Het strand bleef tamelijk schoon, maar zowel Lackland als Barlennan konden zich voorstellen wat zich afspeelde aan de andere kant van de heuvels die in het zuiden parallel liepen aan het strand., Barlennan was in stilte blij dat hij zeeman was. Het reizen over land in deze streken zou de eerste paar duizend dagen geen pretje zijn.
“Ik heb geprobeerd mijn kaarten bij te houden,” zei hij toen hij zich neerliet tegenover de machine van de Vlieger. “Maar ik heb geen veranderingen aangebracht in de Kom, omdat de nieuwe gebieden die we op weg hierheen in kaart hebben gebracht niet zo groot zijn dat ze verschil maken op deze schaal. Eigenlijk is er maar weinig dat ik je in detail kan laten zien, maar je wilde een overzicht van de streek waar ik heen wil als we hier vandaan gaan. Eigenlijk kan het me niet veel schelen. Ik kan overal kopen en verkopen, en momenteel heb ik niet veel anders aan boord dan voedsel. Daar zal ook niet veel meer van over zijn als de winter voorbij is. Daarom was ik na ons gesprek van plan een tijdje rond te varen in de gebieden met laag gewicht om plantaardige producten te laden die hier te krijgen zijn, stoffen die door de mensen verder naar het zuiden gewaardeerd worden vanwege hun invloed op de smaak van het voedsel.”
“Specerijen?”
“Als dat het woord is voor dergelijke producten, ja. Ik heb ze wel eerder vervoerd en ik mag ze wel. Je kunt een goede winst maken op één enkele scheepslading, net als bij de meeste stoffen waarvan de waarde meer afhangt van hun zeldzaamheid dan van hun werkelijk nut.”
“Ik neem dus aan dat het je niet veel kan schelen waar je heengaat nadat je hier hebt geladen?”
“Precies. Ik begrijp dat jouw opdracht ons tot dicht bij het Midden zal voeren, en dat vind ik Best — hoe zuidelijker we gaan, hoe hoger de prijzen die ik kan bedingen. Dat de tocht langer duurt maakt het gevaar niet veel groter, omdat jij ons zult helpen, zoals je hebt beloofd.”
“Dat klopt. Uitstekend — maar ik vind het jammer dat we niets hebben kunnen vinden om je in betaling te geven, zodat je geen tijd zou hoeven besteden aan het verzamelen van specerijen.
“Ja, maar we moeten eten. Je hebt gezegd dat jullie lichamen en dus ook jullie eetwaren een heel andere samenstelling hebben dan de onze, zodat wij jullie voedsel niet kunnen gebruiken. Om je de waarheid te zeggen, ik kan geen enkel metaal of ander materiaal bedenken dat ik zelf niet veel makkelijker in elke gewenste hoeveelheid zou kunnen vergaren. Mijn liefste wens is nog steeds dat wij een paar van jullie machines krijgen, maar jij zegt dat er nieuwe zouden moeten worden gebouwd om onder onze omstandigheden te kunnen werken. Het lijkt me dat onze overeenkomst de beste is die we kunnen sluiten.”
“Zo is het. Zelfs die radio is speciaal voor deze tocht gemaakt en jullie zouden hem niet kunnen repareren — tenzij ik het helemaal mis heb hebben jullie er het gereedschap niet voor. Hoe dan ook, tijdens de reis kunnen we hier verder over praten; misschien openen de dingen die we van elkaar te weten komen de weg tot andere en betere mogelijkheden.”
“Daar ben ik van overtuigd,” zei Barlennan beleefd. Hij sprak natuurlijk niet over de mogelijkheid dat zijn eigen plannen misschien zouden slagen. De Vlieger zou ze zeker niet hebben goedgekeurd.
2 De Vlieger
De weersvoorspelling van de Vlieger bleek juist: vierhonderd dagen gingen voorbij voordat de storm merkbaar zwakker werd. Gedurende deze periode sprak de Vlieger vijf keer over de radio met Barlennan. Hij begon steeds met een korte weersverwachting, en ging dan over op een meer algemeen gesprek dat een dag of twee duurde. Tevoren, toen Barlennan bezig was met het leren van de taal van de vreemdeling en bezoeken bracht aan diens woning in de “Heuvel’ bij de baai, was het hem opgevallen dat de bezoeker een eigenaardige regelmaat in zijn leven aanhield; hij had gemerkt dat hij de Vlieger slapend of aan zijn maaltijd kon treffen op vaste tijden die ongeveer tachtig dagen uit elkaar lagen. Barlennan was geen filosoof — net als zijn soortgenoten vond-hij dat maar onpraktische dromers — en dit feit was voor hém alleen maar een van dé eigenschappen van een zonderling maar interessant wezen. Het vermoeden kwam niet bij hem op dat er een wereld bestond die er ongeveer tachtig keer zo lang over deed als de zijne om een omwenteling om zijn as te maken.
Lacklands vijfde oproep verschilde van de eerdere en was om diverse redenen meer welkom. Het verschil was gedeeltelijk dat hij op een andere tijd dan normaal kwam; het plezierige ervan was de aankondiging van beter weer.
“Barl!“ De Vlieger verspilde geen tijd aan inleidingen want hij wist dat de Meskliniet steeds binnen bereik van de radio was. “Het station op Toorey belde me een paar minuten geleden op. Er komt een tamelijk rustige plek op ons af. Ze wisten niet zeker hoe de winden zouden zijn, maar ze konden de grond door de nevel heen zien en dus moet het zicht redelijk zijn. Als je jagers er op uit willen gaan zullen ze niet wegwaaien, mits ze wachten tot het twintig of dertig dagen lang onbewolkt is gebleven. Gedurende honderd dagen daarna zullen we echt goed weer hebben. Als het verandert zullen ze het mij snel genoeg laten weten om je mensen op tijd terug aan boord te hebben.”
“Maar hoe moeten zij je waarschuwing ontvangen? Als ik ze deze radio meegeef kan ik niet met jou spreken en dan begrijp ik niet…”
“Daar heb ik over nagedacht,” onderbrak Lackland hem. “Ik geloof dat het beter is als je hierheen komt zodra de wind wat is gaan liggen. Ik kan je nog zo’n radio geven en misschien is het zelfs beter als je er nog een paar krijgt. De reis die je voor ons gaat ondernemen is gevaarlijk en duurt lang genoeg. Zo’n vijftigduizend kilometer als je er als een vogel heen vliegt, en ik kan niet precies raden hoe ver het per schip en over land is.”
Lacklands opmerking over vliegen veroorzaakte een vertraging: Barlennan wilde weten wat vogels waren en wat vliegen betekende. Het eerste was het eenvoudigst duidelijk te maken. Maar dat er levende wezens waren die op eigen kracht konden vliegen was voor hem moeilijker te begrijpen dan het begrip gooien, en nog angstwekkender. Hij had Lacklands vermogen om zich door de lucht voort te bewegen zoiets vreemds gevonden dat het nooit bij hem was opgekomen er verder over na te denken. Lackland zag dit ten dele wel in.
“Er is nog een punt waar ik het met je over wil hebben,” zei hij. “Zodra het helder genoeg wordt om veilig te landen brengen ze een rupsvoertuig omlaag. Misschien wen je aan het idee van vliegen als je de raket ziet dalen.”
“Misschien,” antwoordde Barlennan aarzelend. “Ik weet niet zeker of ik je raket wel wil zien landen. Ik heb het al eens eerder gezien, weet je, en ik zou niet willen dat iemand van de bemanning erbij is.”
“Waarom niet? Denk je dat ze zo bang worden dat je niets meer aan ze hebt?”
“Nee,” antwoordde de Meskliniet openhartig. “Ik wil niet dat een van hen mij zo bang ziet als ik denk dat ik zijn zal.”
“Je verbaast me, Kapitein.” Lackland trachtte zijn woorden op schertsende toon te uiten. “Maar ik kan me je gevoelens voorstellen, en ik verzeker je dat de raket niet recht boven je komt. Als je naast de wand van mijn koepel wilt wachten zal ik de piloot per radio zijn instructies geven.”
“Maar hoe dicht komt hij dan boven mij?”
“Een flink eind opzij, dat beloof ik je. Evengoed voor mijn eigen veiligheid namelijk, als om jou gerust te stellen. Om op deze wereld te landen, zelfs hier aan de equator, zal hij een tamelijk krachtige uitlaatstraal nodig hebben. En ik wil niet dat die mijn koepel raakt, dat garandeer ik je.”
“Goed, dan kom ik. Zoals je zei zal het prettig zijn om een paar extra radio’s te hebben. Wat is dat rupsvoertuig waar je over sprak?”
“Dat is een machine die me over land kan vervoeren zoals jouw schip over zee. Je zult het binnen een paar dagen zien, of anders binnen een paar uur.”
Barlennan liet het nieuwe woord passeren zonder vragen, aangezien de bedoeling duidelijk genoeg was. “Ik kom en dan zie ik het wel,” stemde hij toe.
De vrienden van de Vlieger op de binnenste maan van Mesklin hadden het weer goed voorspeld. Ineengedoken op het achterdek telde de kapitein slechts tien zonsopgangen, voordat het oplichten van de hemel en het afzwakken van de wind hem waarschuwden dat het centrum van de storm naderde. Uit eigen ervaring wist hij, zoals de Vlieger gezegd had, dat de kalme periode honderd of tweehonderd dagen duren zou.
Met een fluitstoot die Lacklands trommelvliezen verscheurd zou hebben als hij in staat was geweest zo’n hoge frequentie te horen, trok de kapitein de aandacht van zijn bemanning en begon hij bevelen te geven.
“Er moeten direct twee jachtgroepen worden samengesteld, Dondragmer leidt de ene en Merkoos de andere; zij kiezen elk negen man uit. Ik blijf op het schip om de jacht te coördineren want de Vlieger geeft ons nog meer van zijn spreekmachines. Zodra het licht is ga ik naar de Heuvel van de Vlieger om ze te halen; ze worden samen met andere zaken die hij nodig heeft omlaag gebracht door zijn vrienden; daarom moeten alle leden van de bemanning bij het schip blijven tot ik terugkom. Bereid je voor om dertig dagen nadat ik ga te vertrekken.”
“Meneer, is het wel verstandig om het schip zo spoedig te verlaten? De wind zal nog erg sterk zijn.” De stuurman was een te goede vriend dan dat de vraag onbeschaamd zou zijn, hoewel sommige gezagvoerders totaal geen prijs stelden op enige twijfel aan hun oordeel. Barlennan wuifde met zijn scharen op een manier die een glimlach moest voorstellen.
“Je hebt volkomen gelijk. Maar ik wil tijd winnen en de Heuvel is maar anderhalve kilometer ver.”
“Maar…”
“Bovendien is hij benedenwinds. We hebben kilometers touw in het magazijn. Ik zal twee touwen aan mijn harnas bevestigen, en twee van de mannen — Terblannen en Hars, onder jouw toezicht, Don — laten de lijnen door de bolders vieren terwijl ik loop. Misschien val ik om — het zal wel — maar als de wind zoveel vat op me zou kunnen krijgen dat dit touw breekt zou de Bree allang ver landinwaarts zijn geblazen.”
“Maar als je valt… Stel je voor dat je in de lucht getild wordt —” Dondragmer was nog niet gerustgesteld, en het denkbeeld dat hij opperde zette zelfs zijn kapitein aan het denken.
“Vallen… bedenk dat we vlakbij de Rand zijn — erop zelfs, volgens de Vlieger — en ik kan hem wel geloven als ik van de top van zijn Heuvel naar het noorden kijk. Zoals sommigen van jullie hebben ervaren betekent een val hier niets.”
“Maar je hebt bevolen dat we ons moesten gedragen alsof we ons normale gewicht hadden zodat we geen gewoonten aanleren die bij terugkeer in een leefbaar land gevaarlijk zouden zijn.”
“Zeer juist. Maar dit uitstapje wordt geen gewoonte, omdat de wind mij op normale plaatsen niet kan optillen. In ieder geval doen we het op deze manier. Laat Terblannen en Hars de lijnen nazien — nee, doe het zelf. Dat is voorlopig alles. De wacht onder de zeilen kan gaan rusten. De dekwacht controleert de ankers en de kabels.”
Dondragmer, die deze laatste wacht had, vatte het bevel op als het laatste woord van de kapitein over het onderwerp, en begon het op zijn gebruikelijke efficiënte manier op te volgen. Hij gaf ook enkele mannen opdracht de sneeuw in de ruimten tussen de vlotten te verwijderen, omdat hij net als de kapitein de consequenties zag van dooi gevolgd door opvriezen. Barlennan zelf ontspande zich, en vroeg zich met enige verbazing af welke voorouder toch verantwoordelijk was voor zijn gewoonte om zich vast te praten in onaangename situaties waar hij zich onmogelijk met goed fatsoen uit kon kletsen.
Want het idee om touwen te gebruiken was tijdens het spreken bij hem opgekomen, en het kostte hem de paar dagen voor de wolken verdwenen om zelf te wennen aan de argumenten die hij tegenover de stuurman had gebruikt. Hij was er zelfs nog niet helemaal blij mee toen hij zich in de sneeuw liet zakken die aan de lijzijde tegen de vlotten was opgewaaid, even achterom keek naar de twee sterkste bemanningsleden die de touwen hanteerden, en zijn tocht over het winderige strand begon.
In werkelijkheid viel het wel mee. In het begin oefenden de touwen een lichte opwaartse kracht op hem uit doordat het dek enkele decimeters hoger lag dan het strand, maar de helling van het strand maakte hier al gauw een eind aan. Bovendien stonden de bomen, die zo mooi als ankers voor de Bree dienst deden, verder landinwaarts steeds dichter op elkaar. Het waren lage, platte groeisels met wijd uitstaande kronkelende takken en zeer korte, dikke stammen. Ze leken veel op de bomen die hij van het verre zuidelijk halfrond kende, maar de takken hier kwamen meestal helemaal los van de grond, omdat de zwaartekracht hier minder dan een tweehonderdste was van die in de poolstreken. Tenslotte stonden ze zo dicht bij elkaar dat hun takken elkaar omstrengelden en een wirwar vormden van bruine en zwarte kabels die een uitstekend houvast boden. Na een poos merkte Barlennan dat hij zich klimmend naar de Heuvel kon begeven door zich met zijn voorste scharen vast te houden, zijn achterscharen los te laten en zijn rupsachtige lichaam voorwaarts te kronkelen als een spanrups. De touwen gaven hem wel wat moeite maar omdat ze net als de takken tamelijk glad waren raakten ze niet verward.
Na de eerste tweehonderd meter werd het strand behoorlijk steil, en toen hij ongeveer de helft van de weg had afgelegd was Barlennan ongeveer twee meter boven het dek van de Bree uitgeklommen! Van hier was de Heuvel van de Vlieger zichtbaar, zelfs voor een wezen wiens ogen zo dicht bij de grond stonden als bij de Mesklinieten het geval was. De gezagvoerder hield hier even halt om het landschap te bekijken, zoals hij al vele malen eerder had gedaan.
De resterende afstand van een kleine kilometer was een wildernis van wit, bruin, en zwart, net als wat hij zojuist had doorkruist. De begroeiing was nog dichter en had veel meer sneeuw gevangen, zodat er weinig of geen kale grond te zien was.
Boven de begroeide vlakte stak de Heuvel een eind uit. De Meskliniet vond het bijna onmogelijk het als een kunstmatig bouwwerk te zien, ten dele vanwege de monsterachtige grootte, ten dele omdat andere dakconstructies dan een tentdak hem volkomen vreemd waren. Het was een glinsterende metalen koepel, ongeveer zes meter hoog en twaalf in diameter, een bijna volmaakte halve bol. De koepel had overal grote doorzichtige plekken, en twee cilindervormige uitbouwsels die voorzien waren van deuren. De Vlieger had gezegd dat ze zo geconstrueerd waren dat je naar binnen en naar buiten kon zonder dat de lucht in- of uitstroomde. De ingangen waren in ieder geval groot genoeg voor de Vlieger. Een geïmproviseerde loopplank leidde naar een van de onderste vensters, zodat een wezen van Barlennans bouw en afmetingen naar boven kon klimmen en naar binnen kon kijken. De kapitein had veel tijd op deze loopplank doorgebracht toen hij de taal van de Vlieger leerde spreken en begrijpen; hij had een groot deel van de vreemde apparaten en meubels gezien waarmee het gebouw volstond, ofschoon hij geen idee had wat het doel van de meeste was. De Vlieger zelf scheen een amfibisch schepsel te zijn, althans, hij bracht een groot deel van zijn tijd drijvend in een bad met vloeistof door. Begrijpelijk genoeg, gezien zijn afmetingen. Barlennan kende geen enkel wezen op Mesklin, groter dan zijn ras, dat niet in de zeeën of meren woonde — maar hij besefte dat dergelijke wezens, wat het gewicht betrof, in de wijde, vrijwel onbekende streken bij de Rand zouden kunnen voorkomen. Hij hoopte dat hij er. geen zou ontmoeten, tenminste niet als hij zich aan land bevond. Groot betekende zwaar, en zijn jarenlange conditionering dat gewicht gevaar betekende liet zich niet verloochenen.
Rondom de koepel was niets te zien behalve de altijd aanwezige vegetatie. De raket was blijkbaar nog niet aangekomen, en even speelde Barlennan met het idee te blijven waar hij was tot de raket arriveerde. Het ding zou zonder twijfel aan de andere zijde van de Heuvel dalen — daar zou de Vlieger wel voor zorgen, zolang Barlennan er nog niet was. Maar het dalende vaartuig zou heel goed over hem heen kunnen vliegen: daar kon Lackland niets aan doen omdat hij niet precies wist waar de Meskliniet was. Slechts weinig Aardlingen kunnen iets waarnemen dat vijfenveertig centimeter lang en vijf breed is, en dat op één kilometer afstand door een rommelige vegetatie kruipt. Nee, hij kon beter regelrecht naar de koepel gaan zoals de Vlieger hem aangeraden had. De kapitein kroop weer verder, de touwen achter zich aanslepend.
Hij deed er niet al te lang over, hoewel hij af en toe vertraging opliep in de donkere nachten. Het was nacht toen hij zijn doel bereikte, maar het laatste stadium van zijn tocht werd hij geholpen door het licht dat voor hem uit het raam viel. Toen hij zijn touwen vastgemaakt had en naar een comfortabele plek voor het raam was gekropen was de zon weer boven de horizon aan zijn linkerhand uitgerezen. De wolken waren bijna geheel verdwenen, hoewel de wind nog krachtig was. Zelfs als de lichten uit waren geweest had hij door het raam naar binnen kunnen kijken.
Lackland was niet in de kamer achter dit raam en de Meskliniet drukte op het knopje dat bij de loopplank was aangebracht. Meteen daarna klonk de stem van de Vlieger uit de luidspreker naast de knop.
“Blij dat je er bent, Barl. Ik heb Mack laten wachten tot jij er was. Ik laat hem nu meteen naar beneden komen, dan is hij er tegen de volgende zonsopkomst wel.”
“Waar is hij nu? Op Toorey?”
“Nee, hij zweeft aan de binnenzijde van de ring, maar duizend kilometer boven ons. Hij was er al voor de storm ophield, dus je hoeft je geen verwijten, te maken dat je hem hebt laten wachten. In de tussentijd zal ik vast de andere radio’s halen die ik je beloofd heb.”
“Omdat ik alleen ben is het misschien beter om er deze keer maar één mee te nemen. Ze zijn nogal ongemakkelijk om te dragen, ook al zijn ze licht.”
“Misschien kunnen we beter op de rupswagen wachten voor ik ze haal. Dan rij ik je terug naar je schip — de wagen is goed genoeg geïsoleerd zodat je zonder moeite buitenop kan meerijden. Wat denk je ervan?”
“Dat lijkt me uitstekend. Zullen we nog wat taaloefeningen doen terwijl we wachten, of kun je me nog meer afbeeldingen laten zien van waar je vandaan komt?”
“Ik heb nog meer afbeeldingen. Het kost een paar minuten om de projector te laden dus is het donker genoeg als we kunnen beginnen. Moment, ik kom naar de zitkamer.”
De stem zweeg en Barlennan hield de deur in het oog die hij aan een zijde van de kamer kon zien. Even later verscheen de Vlieger. Hij liep zoals gewoonlijk rechtop met behulp van de kunstmatige ledematen die hij krukken noemde. Hij kwam naar het raam toe, knikte met zijn grote hoofd naar de kleine bezoeker, en ging naar de filmprojector. Het scherm hing recht tegenover het raam aan de muur en terwijl Barlennan met één paar ogen de bezigheden van de mens volgde ging hij zo zitten dat hij de film in een behaaglijke houding kon volgen. Hij wachtte zwijgend terwijl de zon zijn langzame boog aan de hemel beschreef. Het was warm in het volle zonlicht, plezierig warm, maar niet warm genoeg voor de dooi om in te treden; de voortdurende wind van de noordelijke ijskap verhinderde dat. Hij was half in slaap toen Lackland klaar was met de projector en zich naar zijn rustkuip begaf en zich erin liet zakken. Barlennan had het elastische vlies op het oppervlak van de vloeistof dat de kleren van de man droog hield nooit gezien; anders had hij waarschijnlijk een andere opvatting gehad over de amfibische aard van mensen. Al drijvend reikte Lackland omhoog naar een paneeltje en haalde hij twee schakelaars om. De lichten in de kamer gingen uit en de projector begon te lopen. De film duurde ongeveer een kwartier en was nog niet afgelopen toen Lackland zich weer overeind moest hijsen met de mededeling dat de raket aan zijn landing bezig was.
“Wil je naar Mack kijken of zie je liever het eind van de film?” vroeg hij. “Hij zal wel aan de grond staan tegen de tijd dat de film afgelopen is.”
Met enige tegenzin maakte Barlennan zijn aandacht van het scherm los. “Ik zou liever de film zien, maar het is waarschijnlijk beter als ik wen aan het zien van vliegende dingen,” zei hij. “Van welke kant komt hij?”
“Uit het oosten, denk ik. Ik heb Mack nauwkeurig beschreven hoe het er hier uitziet, en hij heeft foto’s; verder is het iets makkelijker om van die kant te komen, gezien zijn positie. Ik denk dat de zon je uitzicht nu belemmert, maar hij zit nog zestig kilometer hoog. Kijk maar een stuk boven de zon.”
Barlennan keek en wachtte. Ongeveer een minuut lang zag hij niets, toen ontwaarde hij twintig graden boven de opgaande zon een metalen glinstering.
“Hoogte zestien — horizontale afstand ongeveer idem,” rapporteerde Lackland. “Ik heb hem hier op het radarscherm.”
De glinstering werd sterker, veranderde niet van plaats. De raket kwam vrijwel recht op de koepel af. Een minuut later zonden er al details te zien zijn geweest, ware het niet dat alles nu schuilging in de stralen van de zon. Mack hing een ogenblik stil op anderhalve kilometer hoog, en even ver naar het oosten; toen Belne een eind was opgeschoven kon Barlennan de vensters en de uitlaatpijpen in de cilindrische romp zien. De storm was bijna geheel gaan liggen, maar nu begon er een warme bries met de geur van gesmolten ammoniak te waaien van het punt waar de uitlaatgassen de grond raakten. De half vloeibare druppels spatten tegen Barlennans ogen, maar hij bleef staren naar de langzaam dalende massa metaal. Elke spier in zijn lange lichaam was strakgespannen, zijn armen drukten stijf tegen zijn zijden, de scharen knepen zo hard dat ze staaldraad hadden kunnen doorknippen, en de harten in al zijn lichaamssegmenten klopten opgewonden. Als hij net als mensen een ademhalingsorgaan had bezeten zou hij zijn adem hebben ingehouden. Zijn verstand zei hem dat het ding niet zou vallen en hij bleef zichzelf geruststellen dat het ook niet zou gebeuren, maar omdat hij nu eenmaal opgegroeid was in een omgeving waar een val van vijftien centimeter meestal dodelijk was, ondanks de ongelooflijke taaiheid van Mesklinietische organismen, kon hij zijn emoties niet zo makkelijk bedwingen. Onderbewust verwachtte hij dat het metalen vaartuig zou verdwijnen, en op de grond daaronder weer zichtbaar zou worden, onherkenbaar geplet. Tenslotte was het nog minstens honderd meter hoog…
Op de grond onder de raket, nu vrij van sneeuw, vatte de zwarte begroeiing plotseling vlam. Zwarte as woei weg van de landingsplaats en de grond gloeide even op. Dit hield op toen de glinsterende cilinder zachtjes neerkwam in het midden van de kale plek. Seconden later hield plotseling de donder op die luider was geweest dan Mesklins orkanen. Het deed bijna pijn toen Barlennan zich ontspande, zijn scharen openend en sluitend om de kramp te laten verdwijnen.
“Als je even wacht ben ik zo buiten met de radio’s,” zei Lackland. De kapitein had niet gemerkt dat hij weggegaan was, maar de Vlieger was niet langer in de kamer, “Mack rijdt de tank hierheen. Je ziet hem wel verschijnen. Ik trek nu mijn pantserpak aan.”
In werkelijkheid kon Barlennan slechts een deel van de rit gadeslaan. Hij zag de sluis in het ruim van de raket openzwaaien en de tank eruit rollen; hij zag genoeg van het voertuig om er alles van te begrijpen — dacht hij — behalve hoe de rupsbanden bewogen. Het ding was groot, groot genoeg om verscheidene mensen van het ras van de Vlieger te bergen, behalve wanneer het interieur te veel machines bevatte. Net als de koepel had het veel grote ramen; door een ervan aan de voorkant zag de kapitein de gepantserde gedaante van een andere Vlieger, die het voertuig, blijkbaar bestuurde. De onbekende aandrijving van de machine maakte niet voldoende geluid om over de afstand van anderhalve kilometer te horen.
De wagen legde maar een deel van de afstand af voor de zon onderging en er geen details meer zichtbaar waren. Esstes, de kleinste zon, scheen nog aan de hemel, feller dan de volle maan op Aarde, maar Barlennans ogen hadden hun beperkingen. De wagen wierp een intense straal licht voor zich uit, recht op de koepel af, wat het kijken niet makkelijker maakte. Barlennan wachtte gewoon. Tenslotte was het ding toch te ver weg voor een grondige inspectie, zelfs bij daglicht, en als de zon opkwam zou het wel bij de Heuvel aankomen.
Misschien ook zou de inspectie moeten wachten; misschien zouden de Vliegers bezwaar maken tegen het soort onderzoek waaraan hij hun machinerie wilde onderwerpen.