40431.fb2
HET KASPLANTJE
'Op 8 juni is het een half jaar geleden dat mijn nieuwe leven begon. Jullie brieven stapelen zich op in de kast, jullie tekeningen bedekken de muur, en omdat ik niet iedereen afzonderlijk kan antwoorden, ben ik op het idee van deze samizdats gekomen om over mijn dagen, mijn vorderingen en mijn hoop te vertellen. In eerste instantie wilde ik geloven dat er niets aan de hand was. In de toestand van schemer-bewustzijn die op een coma volgt, zag ik mezelf weer snel in het jachtige Parijse leven terugkeren, alleen maar vergezeld van een paar krukken.'
Dat waren de eerste woorden van de eerste alinea van de brief uit Berck die ik aan het eind van het voorjaar aan mijn vrienden en relaties besloot te sturen. Dat epistel, geadresseerd aan een stuk of zestig mensen, veroorzaakte wat opschudding en herstelde een beetje de kwalijke gevolgen van de geruchten. De stad, dat monster met honderd monden en duizend oren, dat niets weet maar alles zegt, had namelijk besloten me af te schrijven. In Café de Flore, een van die thuisbases van het Parijse snobisme, vanwaar roddels als postduiven worden gelanceerd, hadden dierbaren gehoord dat onbekende kletskousen het volgende gesprek voerden, met de gretigheid van gieren die een opengereten gazelle hebben ontdekt. 'Weet je dat B. in een kasplantje is veranderd?' zei de een. 'Natuurlijk, daar ben ik van op de hoogte. Een kasplantje, ja, een kasplantje.' Het woord 'kasplantje' streelde vast de tong van die onheilsbodes, want tussen twee happen Welsh rarebit door kwam het verschillende malen terug. Wat de toon betreft, daarmee werd bedekt aangegeven dat het alleen een stomkop kon ontgaan dat ik voortaan meer bij de tuinbouw hoorde dan bij de mensenmaatschappij. Het was vredestijd. Bezorgers van valse berichten werden niet gefusilleerd. Als ik wilde bewijzen dat mijn intellectuele vermogens nog altijd meer waren dan die van een azalea, kon ik alleen op mezelf rekenen.
Zo is er een groepscorrespondentie ontstaan, die ik van maand tot maand voortzet en waardoor ik me altijd verbonden kan voelen met degenen van wie ik houd. Mijn zonde van de hoogmoed heeft zijn vruchten afgeworpen. Op een paar onvermurwbare kennissen na die hardnekkig de stilte bewaren, heeft iedereen begrepen dat je bij me kunt komen in mijn duikerpak, ook al trekt het me soms mee naar de rand van onbekende gebieden.
Ik ontvang opmerkelijke brieven. Ze worden geopend, uitgevouwen en voor mijn ogen gehouden volgens een ritueel dat in de loop der tijd vast is komen te liggen en dat aan de komst van de post het karakter van een stille, gewijde ceremonie geeft. Elke brief lees ik nauwgezet zelf. Sommige ontbreekt het niet aan ernst. Ze gaan over de zin van het leven, de suprematie van de ziel of het mysterie van elk bestaan, en door het curieuze fenomeen dat schijn bedriegt, gaan juist degenen met wie ik de oppervlakkigste contacten had heel diep op die wezenlijke vragen in. Onder hun luchtigheid ging diepgang verborgen. Was ik blind en doof, of is het licht van een ongeluk per se nodig om iemands ware aard bloot te leggen?
Andere brieven gaan in hun eenvoud over wissewasjes die het verstrijken van de tijd benadrukken. Rozen die geplukt zijn in de schemering, de verveling van een regenachtige zondag, een kind dat huilt voordat het in slaap valt. Die uit de praktijk gegrepen staaltjes van leven en uitbarstingen van geluk raken me bovenal. Of ze nu uit drie regels of uit acht bladzijden bestaan, of ze nu uit het Verre Oosten komen of uit Levallois-Perret, ik bewaar al die brieven als een schat. Ooit wil ik ze aan elkaar plakken om een kilometer lang lint te maken, dat ter ere van de vriendschap als een vaandel wappert in de wind.
Dat zal de gieren op afstand houden.